Zelfs in 2031 raakt België niet aan een werkzaamheidsgraad van 80 procent. Dat blijkt uit de recentste regionale economische vooruitzichten van het Federaal Planbureau. Dat heeft te maken met de fiscale druk op (reguliere) arbeid. “De uitbreiding van de flexi-jobs werkt averechts”, zegt arbeidseconoom Ive Marx (UAntwerpen) daar ook over in De Standaard.
Het aandeel Belgische burgers tussen 20 en 64 jaar dat vol- of deeltijds werkt, moet omhoog. Zowel de federale regering-De Wever als de Vlaamse Regering van minister-president Matthias Diependaele (N-VA) schuiven het cijfer naar voren als centrale doelstelling. Ook voormalig minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS) mikte tijdens de regering-De Croo al op 80 procent tegen 2030, een ambitie die uiteraard nooit behaald werd.
Enkel Vlamingen komen in de buurt van deze werkzaamheidsgraad, in het bijzonder als men kijkt naar autochtone Vlamingen. Op Belgisch niveau is er enkel een trage stijging: van 72,3 procent in 2024 naar 74,8 procent in 2031. En de regionale verschillen blijven dus enorm groot. Wallonië landt op 70,4 procent, Brussel blijft steken op 65,6 procent en Vlaanderen klokt af op 79 procent – op een haar na van de doelstelling dus.
De trage groei heeft dus te maken met mentaliteitsverschillen beneden de taalgrens, maar ook met de enorme fiscale druk op arbeid. Nergens in de wereld zijn er meer loonkosten. Van elke 100 euro loonkost, gaat 52,5 euro naar de Belgische staat, ook onder premier Bart De Wever (N-VA). “Tegelijk neemt de regering maatregelen die het omgekeerde effect hebben: neem de uitbreiding van de flexi-jobs naar alle sectoren”, besluit Marx bij De Standaard. “Dat is werk dat gaat naar mensen die al [minstens vier vijfden] aan de slag zijn en niet naar nieuwe mensen.”
Lees ook:
De Wevers België blijft wereldkampioen belastingen op arbeid
